Literaire quarterlife crisis
23 maart 2009
Nu Jeroen Brouwers zijn vloekschrift de wereld in heeft gefluimd, is het de vraag hoeveel van de speek zal beklijven. In de vele stenen des aanstoots waarmee hij zijn oprit naar oprechte woede bekiezelt, zitten nu eens onschuldige pebbels dan weer grote sta-in-de-wegs. Wie in het boekenvak heeft zich er niet aan gestoord: de lippendienst die vele instanties aan de literatuur bewijzen zonder daar daden tegenover te stellen, de onduidelijke fondsjes en stichtingen, het circus van immer dezelfde namen, vastgeroeste critici die zich nog steeds capabel achten zowel de opera als de hiphop van het letterenwezen te bespreken.
Brouwers vermogen tot schelden is onverminderd onaangetast (cultuurminister Plasterk is een opgeblazen feestcondoom, knolbegonia, hopman, clowntje…). Smullen voor de liefhebbers en allicht leedvermaak voor de al even grote groep aan Brouwers-haters. Dat die Schadenfreude-kliek toch nog even in het achterhoofd houdt, dat Brouwers’ lamento over de Prijs der Nederlandse Letteren wel degelijk zoden aan de dijk zette.
Brouwers loopt ook stevig te schoppen tegen de boekenoverproductie. Al eerder schreef redacteur Marc Kregting over de machinaties binnen de uitgeverij ten gevolge van het overvoeren van de markt. Volgens Kregting, literaturo pur sang, wordt liefde voor het boek een schraal goed. Bij geweeklaag is het een weinig avontuurlijke reflex om af te vragen of dat inderdaad zo is. Volgens literair agent Paul Sebes (die o.a. Vlaamse auteurs als Joris Vandecasteele en Ivo Victoria aan een boekcontract hielp) is die overproductie eigen aan ieder commercieel product. En bovendien, Sebes is al achttien jaar actief in het vak en heeft het nooit anders geweten.



Laatste reacties