Nu Jeroen Brouwers zijn vloekschrift de wereld in heeft gefluimd, is het de vraag hoeveel van de speek zal beklijven. In de vele stenen des aanstoots waarmee hij zijn oprit naar oprechte woede bekiezelt, zitten nu eens onschuldige pebbels dan weer grote sta-in-de-wegs. Wie in het boekenvak heeft zich er niet aan gestoord: de lippendienst die vele instanties aan de literatuur bewijzen zonder daar daden tegenover te stellen, de onduidelijke fondsjes en stichtingen, het circus van immer dezelfde namen, vastgeroeste critici die zich nog steeds capabel achten zowel de opera als de hiphop van het letterenwezen te bespreken.
Brouwers vermogen tot schelden is onverminderd onaangetast (cultuurminister Plasterk is een opgeblazen feestcondoom, knolbegonia, hopman, clowntje…). Smullen voor de liefhebbers en allicht leedvermaak voor de al even grote groep aan Brouwers-haters. Dat die Schadenfreude-kliek toch nog even in het achterhoofd houdt, dat Brouwers’ lamento over de Prijs der Nederlandse Letteren wel degelijk zoden aan de dijk zette.
Brouwers loopt ook stevig te schoppen tegen de boekenoverproductie. Al eerder schreef redacteur Marc Kregting over de machinaties binnen de uitgeverij ten gevolge van het overvoeren van de markt. Volgens Kregting, literaturo pur sang, wordt liefde voor het boek een schraal goed. Bij geweeklaag is het een weinig avontuurlijke reflex om af te vragen of dat inderdaad zo is. Volgens literair agent Paul Sebes (die o.a. Vlaamse auteurs als Joris Vandecasteele en Ivo Victoria aan een boekcontract hielp) is die overproductie eigen aan ieder commercieel product. En bovendien, Sebes is al achttien jaar actief in het vak en heeft het nooit anders geweten.
Maar goed, volledig vrij van belang is hij nu ook weer niet. Of er meer lucht gaat komen op de boekenplank is maar de vraag. Zoals Bezige Bij-koning onlangs zei tegen NRC Handelsblad: ‘Iedereen vindt dat er minder boeken moeten komen, maar niemand begint.’
Ach en wee, voor die arme auteurs natuurlijk. Voor een potje zelfbeklag ben ik altijd wel te porren. Waar echter zelden zelfverminkende krassen zijn te bemerken, is bij de uitgeverij zelf. Toch lijkt ook daar de werkdruk zijn slachtoffers te tellen. Verschillende van mijn vakgenoten - ik ben een bofferd wat dat betreft- verslijten de ene redacteur na de andere. Let wel, dat is meestal niet te wijten aan het divagedrag van de auteurs. Het contact blijft meestal beperkt tot wat in het schoon Nederlands een hoi/doei-relatie heet. Je krijgt een kennismakingsmailtje en voor je een manuscript kun inleveren, zit er al weer een ander op zijn of haar plaats. Overgelopen, -spannen, -werkt. Er zijn nette, beleefde uitgeverijen die je daar van op de hoogte stellen. Minder gefortuneerde auteurs sturen soms al een halfjaar mailtjes naar ongeopende mailaccounts voor ze daar achter komen.
Ik hoor net iets te vaak gruwelverhalen om ze niet voor waar aan te nemen. Verhalen als het begeleiden van zestig boeken per jaar, verantwoordelijkheid voor honderden auteurs, het draaien van zeventigurenweken voor 1200 euro netto onder het mom van ‘je houdt toch van boeken? Nou dan!’. Het zou natuurlijk zomaar kunnen dat veel wereldvreemde neerlandici door hun quarterlifecrisis geveld worden. Dat zou kunnen. Net zoals het zou kunnen dat er gewoon heel erg veel goede boeken zijn.
(Werkloos meisje -Â Kazimir Malevitsj)



Recente Reacties