Tien Jaar Tate Modern
31 / 05 / 2010
Deze week viert Tate Modern zijn tienjarig bestaan. Als kunstliefhebber en Londenaar, heb ik elk moment van die eerste tien jaar heel bewust meegemaakt. Tate Modern (zonder ‘the’ ervoor !) landde in 1999 in hartje London als een soort buitenaards spaceship. Dit reusachtige gebouw aan de Thames, een voormalige elektriciteitscentrale, werd het nieuwe huis voor de moderne collectie van de prestigieuze Tate Britain en meteen ook Londen’s eerste publieke museum voor moderne kunst. Maar waarom hebben we er zo lang moeten op wachten ?
Begin jaren negentig lanceerde marketinggoeroe Charles Saatchi het fenomeen “Brit art”. Met zijn gedurfde visie en welgevulde portemonnee kocht hij het werk van de net afgestudeerde Young British Artists van de Londonse kunstscholen (de YBA’s zoals ze hier genoemd worden). Denk maar aan de welbekende opgezette haai van Damien Hirst of het onopgemaakte bed van Tracey Emin. De choquerende en sensationele kunst van deze jonge artiesten was in een klap honderdduizenden ponden waard en werd door alle kranten en zelfs door de Engelse roddelblaadjes opgepikt. Hun kunst werd tentoongesteld in Saatchi’s commerciële galerie, in hippe galeries zoals de White Cube in Shoreditch en op de jaarlijkse Freeze expo’s. Deze expo’s werden tijdelijk opgericht in Regent’s Park. Ik heb er destijds zelf uren aangeschoven voor een glaasje champagne en een glimp van de nieuwe beroemdheden en hun entourage van rocksterren and modellen.
Moderne kunst was plots supercool en als jonge Londenaar vond ik deze nieuwe beweging erg intrigerend. Maar het bleef uiteindelijk een vrij elitair gebeuren – de kunst was enkel beschikbaar voor wie het zich kon veroorloven en de hipste galerie wist te vinden. De nood aan een museum van moderne kunst waar deze werken toegankelijk zouden zijn voor iedereen – een Londonse versie van het Centre Pompidou, zeg maar – werd alsmaar dringender.
Maar toen de Queen in de reusachtige turbinehal van de Tate het lintje doorknipte, waren de opinies van de Londenaars erg verdeeld. Veel kunstliefhebbers vroegen zich af hoe een gebouw met zulke reusachtige proporties een intieme kunstervaring kon aanbieden. Ze waren gewend aan kleine, trendy galeries en secret happenings. Het leek een waanzinnig onderneming en niet iedereen raakte overtuigd door het gebouw met de proporties van een shoppingcenter.
We zijn nu tien jaar later en de wereldwijde populariteit van het museum heeft zelfs de verwachtingen van directeur Nicholas Serota overtroffen. Het museum krijgt jaarlijks vijf miljoen bezoekers over zijn betonnen vloer, wat meer is dan bij om het even welk ander museum in de wereld. De ruwe, spectaculaire architectuur – op zich al een bezoekje waard – draagt hieraan bij. Maar er is meer.
De permanente collecties die je gratis kan bezoeken zijn op een revolutionaire manier samengesteld. Zo worden Claude Monets Waterlelies naast een vroege Jackson Pollock gehangen onder de ironische titel “abstract impressionisme”. Overal in het museum is er de mogelijkheid om commentaar achter te laten of even te gaan zitten in een gezellig hoekje. Je wordt uitgenodigd op je gevoel af te gaan, zelf inzicht te verwerven zonder terug te moeten vallen op een encyclopedische kennis van de kunstgeschiedenis. Tate is erin geslaagd de misvatting weg te nemen dat kunst enkel kan gesmaakt worden met de nodige achtergrondkennis. De uitnodigende slogan van de Tate vat het goed samen: “Look again, think again.”
Tate bezoeken is fun. Je komt binnen langs de grote turbinehal waar populaire en vaak gigantische kunstinstallaties erop gericht zijn iedereen meteen te betrekken bij het gebeuren. Ze worden dan ook gesmaakt door het brede publiek. Mijn favoriete installatie was de 55 meter lange roetsjbaan van Carsten Höller uit 2006, een glijbaan die vertrok van het vijfde verdiep tot helemaal beneden. Ik heb mijn afvaart destijds weken op voorhand moeten boeken gezien het enorme succes. Daarnaast was er The Weather Project uit 2003, een mistige artificiële zonsondergang van de Deense artiest Olafur Eliasson, die bezoekers liggend op de grond konden bewonderen.
Anish Kapoors reusachtig rood Marsyas sculptuur uit 2002 zweefde prachtig in de metale structuur en de meer recente crack in de vloer, ‘Shibboleth’, van Colombiaanse artiest Doris Salcedo heeft niet alleen op de Tate vloer, maar ook in mijn geheugen een permanent litteken achtergelaten.
Tate Modern presenteert kunst waar je als kijker zelf deel van uitmaakt, en de interpretatie wordt belangrijker dan het object zelf. Het grote verschil met de traditionele musea, waar je met de handen achter de rug naar een werk staart, is dat je in Tate Modern de kunst niet alleen mag aanraken, maar dat je zelfs uitgenodigd wordt om er iets mee te doen. Dat is de sleutel van het succes van Tate, en ik kan iedereen een bezoekje aanraden – zeker nu Tate uitbreidt met een serie olietankers die nog meer kunst zullen uitspuiten in de toekomst!



Afgelopen zaterdag kuierde ik gezellig op Portobello Market, in het hartje van Notting Hill. Het was heerlijk zonnig na zes dagen non-stop regen en dus ook enorm druk. Mijn Engelse man Karl ergerde zich aan de horden Italiaanse zonnebrillen en aan de trage tred van de toeristen. Een paar jaar geleden was ik nochtans ook zo’n irritante, slenterende toerist die maar niet genoeg kreeg van de boho vibe die er op Portobello heerst. Tien jaar geleden, zeg maar, want zolang is het al geleden dat ik hier voor het eerst neerstreek en mijn eerste ’sausage and mash’ proefde bij
Laatste reacties