Het land van Pinocchio
28 juli 2010
Toen ik een jaar of zes was had mijn moeder het onzalige idee om met haar kinderen naar de nieuwe Walt Disneyfilm van Pinocchio te gaan kijken. We herinneren het ons nog allemaal levendig: op het moment dat het grote zeemonster Pinocchio inslikte, had ons gebrul zo’n volume bereikt dat ze ons de filmzaal uitsleepte (zelf lopen konden we toen al niet meer van angst). Twintig jaar lang vermeed ik alles wat ook maar iets met Pinocchio te maken had. Toen kwam er een nieuwe Pinocchiofilm uit en besloot ik dat ik mijn angst eindelijk maar eens moest proberen te overwinnen. In mijn eentje ging ik kijken, zodat ik ongemerkt naar buiten kon sluipen als het toch fout zou gaan. Maar ik zat de film uit. Hij deed me eigenlijk niet zo veel.
En nu woon ik in het land van Pinocchio. Iedereen in Italië kent het verhaal van die ondeugende marionet op zijn duimpje. In Toscane is er zelfs een themapark van Pinocchio, meer bepaald in Collodi, het geboortedorp van de moeder van de schrijver, die de plaatsnaam als schrijverspseudoniem ging gebruiken.
Vorig jaar maakten we een herfstuitstap naar Toscane. We wilden het rustig aan doen, dus stopten we onderweg in Parma en leerden er in het hammenmuseum alles over het maken van parmaham. Een andere halte die we overwogen, was het Pinocchiopark, maar onze kinderen waren niet zo geïnteresseerd omdat er geen roetsjbaan was. Dus reden we meteen door naar Lucca. Daar wachtte ons een verrassing: grote affiches kondigden aan dat daar net het Internationaal stripverhalenfestival plaatsvond. Na wat zoeken konden we er zelfs een programma van bemachtigen. En zo kwamen we terecht in het Palazzo Guinigi, waar stripillustrator Frezzato zijn nieuwste tekeningen tentoonstelde: illustraties bij het verhaal van Pinocchio!
Frezzato is vooral beroemd voor zijn strips met rondborstige heldinnen waarvan de fijne gezichten in het heetst van de strijd steeds mooi omlijst worden door lange haarslierten. Maar op een dag, toen hij net Pinocchio had herlezen, kwam het nieuws dat hij papa zou worden en besloot hij voor zijn kindje in wording het verhaal van Pinocchio te illustreren. Ocharme dat kindje, zou ik misschien moeten denken, mijn eerste brutale kennismaking met Pinocchio indachtig. Maar de illustraties die we in Lucca ontdekken, zijn zo mooi en zo vertederend dat ik me voorneem eindelijk ook eens het boek te lezen. In het Italiaans. In de uitgave met tekeningen van Frezzato.
Misschien is het omdat ik intussen ook moeder ben. Frezzato schrijft in het voorwoord dat hij wetende dat hij vader gaat worden en werkend aan de illustraties eindelijk Pinocchio begint te begrijpen en kan vergeven voor al zijn kattekwaad, dat zoveel onheil over zijn vader brengt. Mij ontroert het verhaal nu ook van het begin tot het einde. Omdat Pinocchio barst van levenskracht, die hem helaas altijd de verkeerde kant op stuwt. Omdat hij zo vol goede voornemens zit, hoewel hij die telkens weer uit het oog verliest. Omdat er in het verhaal een les zit voor kinderen, maar ook voor ouders. En omdat mijn kinderen van het verhaal niets willen weten, omdat er geen roetsjbaan in voorkomt, en ik daardoor besef dat er in ons leven een tijd is vóór en ná Pinocchio.




Dit avontuur begon nu bijna twee jaar geleden. Of moet ik zeggen zes jaar geleden, toen ik door omstandigheden de kans kreeg om Litouws te leren. Bijna niemand leert Litouws, en als ik goed had geweten waaraan ik begon had ik het ook nooit van mijn leven gedaan. Van alle talen die ik al geleerd heb, en dat zijn er wel wat, is het de allervreselijkste taal, en dan wordt het nog door bijna niemand gesproken ook. Nu ja, drie-vier miljoen is niet helemaal ‘bijna niemand’, en omdat er zo weinig buitenlanders zijn die hun taal willen leren moet ik zeggen dat alle Litouwers die ik al ben tegengekomen ontzettend vriendelijk en behulpzaam zijn als ik me verstaanbaar probeer te maken, wat na die zes jaar eigenlijk nog altijd moeilijk is, o.a. omdat ik nu ook weer niet zo vaak Litouwers tegenkom en Litouwen niet vaak op mijn route ligt. Maar lezen kan je overal, en internet is een godsgeschenk voor mensen als ik, dus leerde ik het werk van Eugenijus Ališanka kennen, en vond het heel interessant. Het toeval wou dat hij werd uitgenodigd voor een literaire manifestatie van de Brusselse organisatie Passa Porta, zodat ik hem kon ontmoeten en het idee van een bloemlezing met hem kon bespreken. Eerlijk gezegd wou ik niet alleen weten of hij zo’n bloemlezing zag zitten, maar ook of ik hem als persoon wat zag zitten, want ik wist dat dat wel moest als we zo’n lange literaire reis samen zouden ondernemen. Alles zat gelukkig meteen snor.
Voor wie van regen houdt was april zelfs naar plaatselijke normen een hoogtepunt. Op enkele dagen aan het begin van de maand na, die iedereen de valse hoop gaven dat de lente eindelijk zou beginnen, was het een ononderbroken opeenvolging van gekletter en gedonder. Bij kennissen sloeg de bliksem in, maar dat overleef je blijkbaar soms, alleen waren telefoon, fornuis en nog wat dingen stuk, en oh ja, er was ook een gat in het dak … Het was waar dat wij ook die avond bij elke bliksem hadden zitten tellen, soms maar tot twee, om te meten hoe lang het duurde tot we de donder hoorde. En bij elke donderslag daverde ons huis. Een alpijns onweer is telkens weer een belevenis.
Maar nu is het mei! Plots is de zon er en doet alles opdrogen. De hagedissen glippen voor je voeten weg zodra je een stap in de tuin zet. De tuin ruikt naar jasmijn en blauwe regen. De thijm en de salie staan te schreeuwen om in de pot te mogen. Bovendien heb ik net een groentenwinkel ontdekt waarvan gezegd wordt dat ze alles rechtstreeks uit het zuiden van Italië aanvoeren. Alles is er sappig en rijp, en er worden ook koekjes, kazen en worsten verkocht die je nergens anders vindt. Zo ontdek ik burrata – het lijkt een beetje op een enorme mozzarella, maar als ik het ’s avonds in een slaatje met tomaten opdien, slaakt iedereen kreten van verrukking: het is nog veel en veel lekkerder, sappiger, hartiger.




Laatste reacties