Logo


03 september 2010 01:16

Cobra.be als startpagina

Toon de tekst in de standaard lettergrootte Toon de tekst groter Toon de tekst extra groot


Agenda:


blog/Het Leven Is Elders

Geert Buelens


Alleen in Amerika

Op het centrum waar ik werk worden heel verschillende dingen onderzocht: Franse affiches uit de late 19de eeuw, moderne prefab-architectuur, sjaals uit Kashmir, religieuze spanningen in Bohemen in de late Middeleeuwen, het verschillende politieke discours waarmee de Amerikaanse, Engelse en Australische overheid de ‘war on terror’ aan hun kiezers trachten te verkopen, de Amerikaanse copyright-wetgeving etc.

De laatste aanwinst is een piepjonge onderzoeker die samen met de collectie-specialist van de Library of Congress informatie tracht te verzamelen over allerlei nationalistische bewegingen in Abchazië – een land dat niet echt bestaat (want het wordt internationaal niet officieel erkend), maar zich gedraagt alsof het dat wel doet (met een vlag en een volkslied en grenspatrouilles). Geweldige verhalen levert dat op tijdens lunchpauzes – hoe je moet proberen een visum te krijgen voor een land zonder ambassades (veel geduld en dollars helpen) en hoe verguld de bewoners zijn met aandacht vanuit Washington.

Toen de nieuwe collega hoorde dat ik uit België kwam, wilde hij meteen alles weten over de politieke crisis. Want ook al is België bepaald niet de modelstaat die ons was beloofd, internationaal geldt het land blijkbaar toch nog altijd als een model van federalisme. Tenminste: dat vertelde de onderzoeker mij. “Als ‘België’ als constructie zou mislukken, dan zou dat niet alleen effect hebben binnen de EU, maar bijvoorbeeld ook in Georgië en andere streken in de vroegere Sovjet-Unie.”

Vandaag ging ik afscheid nemen van hem. Zijn laatste woorden: “Good luck with Belgium. I will be praying for the country.” Als je dat zonder enige ironie kunt zeggen, ben je allicht geen Belg.

This Old Porch

Waarmee Europeanen de VS niet allemaal associëren:  het Vrijheidsbeeld, wolkenkrabbers, de Grand Canyon, twijfelachtige presidenten, Hollywood, McDonalds, Wall Street. Mijn Amerikaans lievelingsbeeld is veel minder spectaculair. Het is dan ook eerder a state of mind dan een echte plek. Hoe het zich in mijn brein heeft vastgezet, kan ik me niet meer precies herinneren. Misschien was het wel dat liedje van Lyle Lovett, ‘This Old Porch’ (1986). Alleen al dat woord ‘porch’… Het maakt me tegelijk weemoedig en verwachtingsvol: zachtjes heen en weer schommelen op de veranda van zo’n houten huis en de zon zien ondergaan op de prairie en daardoor spontaan Diepe Dingen gaan denken. Zoiets.

Dat gevoel aan den lijve ondervinden is echter niet zo eenvoudig. Motels bieden veelal geen kamers met veranda. En van grootsteden valt er evenmin veel te verwachten op dat gebied. Dacht ik altijd. Tot ik in het historische district van Capitol Hill ging wonen. Prachtige negentiende eeuwse huizen staan daar, met vaak prachtige houten veranda’s en daarop de schommelstoelen waar ik altijd van droomde.

Maar daarmee was het probleem nog niet opgelost want ons appartement heeft geen porch en ongevraagd bij de buren gaan zitten, nu ja, zo ben ik niet opgevoed. Tot we gisterenavond terechtkwamen in het net gerenoveerde huis van een kennis op Capitol Hill. En dat bleek niet alleen een porch te hebben, er hing ook nog eens een heel zacht heen en weer wiegende schommel.

Waarna dit geluksmoment zijn belofte helemaal waarmaakte. Een ondergaande zon heeft in een dichtbebouwde wijk misschien niet noodzakelijk het gewenste effect, maar de porch en het geschommel deden precies wat ik had gehoopt. Nauwelijks een kwartier en twee insectenbeten later wist ik hoe het volgende hoofdstuk moet beginnen van het boek dat ik hier schrijf. Heb je dus helemaal geen prairie voor nodig.

De ene feestdag is de andere (niet)

Institutionele crisis of niet, de show en bovenal de business must go on en dus werd 21 juli in Washington D.C. gevierd alsof het 4 juli was. Op papier dan toch. Of nog concreter: op het bord.

Een van de grote culinaire successen op Capitol Hill de afgelopen jaren is Belga Café,  een Belgisch restaurant, uitgebaat door Bart Vandaele, de vriend van VRT-correspondente Greet De Keyser. De gerechten staan in het Nederlands op de menukaart en ook al doe je er als klant beter aan die niet uit te spreken (de obers hebben natuurlijk geen idéé wat ‘waterzooi’ is), het geeft je toch enigszins het gevoel thuis te zijn. De Belgische bieren, saxofoon aan de muur  en frietzakjes doen de rest.

Maar voorts is het natuurlijk een door en door Amerikaans restaurant. Dat merk je aan de spectaculair snelle bediening,  de doortastendheid waarmee glazen worden bijgevuld (en dus nieuwe flessen aangedragen) en… de manier waarop de Belgische nationale feestdag wordt aangekondigd.

Is het in België veelal een wat luie dag, drache nationale incluis, dan wordt hij op kaartjes in het restaurant voorgesteld als de grootste feestdag die een Belg kan meemaken, opgevrolijkt met straatfeesten en vuurwerk, met burgers die vol trots terugdenken aan die dag in 1831 toen de eerste koning van het land trouw zwoer aan de grondwet. De boodschap is duidelijk: Belgen zijn eigenlijk net als Amerikanen. Ze vieren hun 21ste juli zoals Amerikanen 4th of July.

Dat is op zijn zachtst gezegd wat overdreven, maar het zorgt natuurlijk wel voor een feestelijke sfeer in het restaurant. En voor business is het vast ook niet slecht. Op elke tafel staat overigens een fles champagne met een kaartje waarop de fles de klant toespreekt en aanspoort de Belgische feestdag te vieren. Speciaal voor deze gelegenheid kost ze maar $59. Het eerste Belgische restaurant dat zoiets in België probeert, heeft zich wellicht van land vergist.

4th of July: een soort Werchter

Het is zeker ook zoals je je dat voordien voorstelde: mensen, in alle soorten en formaten, met Amerikaanse vlaggetjes of de Amerikaanse vlag of landkaart op hun t-shirt, petje, sweater, baskettrui of als tattoo op hun wang. De Nationale Feestdag wordt hier groots, intens en met overgave gevierd. Een partijnaam als ‘Trots op Amerika’ zou hier belachelijk gevonden worden, want nagenoeg iedereen is trots op Amerika en deelt je dat ongevraagd mee. En op 4 juli is het dus alle remmen los.

Weinig mensen associëren Amerikanen – die herauten van de beeldcultuur – met woorden. Toch staan teksten hier centraal. In de politiek gaat geen dag voorbij zonder te verwijzen naar beroemde toespraken van illustere voorgangers. En op 4 juli is dat nog veel meer het geval, want dan wordt herdacht hoe op die dag in 1776 de Declaration of Independence werd ondertekend. In de National Archives, waar het origineel wordt bewaard, wordt die tekst elk jaar opnieuw voorgelezen en daar komt veel volk naar kijken.

Als hoofdstad is Washington uiteraard het centrum van het gefeest. De Mall, het centrale grasveld tussen het parlement en het Washington Monument, is the place to be. Al die met vlaggetjes getooide Amerikanen en ook opvallend veel toeristen komen daar samen om te eten, te drinken en in het gras te liggen.

Net als in alle overheidsgebouwen en musea moet je ook hier eerst door de beveiliging. Vervolgens: religieuze gezangen van Amish. En dan, toch wel opvallend in dit land van vleeseters, promostands voor vegetarisme – onderdeel van een informatiecampagne over Oosterse wijsheden en leefgewoonten. De met kralen omhangen Aziatische promojongen is perfect geïntegreerd in Amerika: ‘Would you like to medidate, for seven minutes‘.

Maar zelfs die tijd hebben we niet, want we moeten natuurlijk dringend in het gras gaan liggen met een megabeker cola, waarop, voor de gelegenheid, de patriottische en ecologische boodschap 1 zijn. Vandaag redden we het land door onze wegwerpbekers in de afvalbakken te werpen.

Die bakken staan handig opgesteld, onderweg naar de tenten waar de cultuurdragers van het onvolprezen Smithsonian Institution hun jaarlijkse Folklife Festival houden. Gratis, alweer. Onder meer Texas staat centraal in deze editie en dus komen erg feestelijke TexMex en Western Swing ons tegemoet gewaaid. Nooit van gehoord, al klinken ze zo vertrouwd als de Boswell Sisters en Andrew Sisters – de Quebe Sisters: engelachtige samenzang, opzwepend gefiddle en een scheutje swingjazz. Oud en jong op de houten dansvloer. Halleluja.

Nog meer redenen om de Heer te prijzen in de volgende tent. The Original Soul Invaders hebben geen eigen website, maar wel de meest oogverblindende overhemden die vandaag nog op de markt zijn. Maar bovenal: wat een stemmen! Ik wist niet dat er na Bobby Womack nog soulzangers van deze orde waren opgestaan. Een mix van gospel en jaren60-soul in een godlovende improvisatie van een klein half uur die de leadzanger dusdanig uitputte dat hij hulp nodig had van een jonge rapper uit de zaal.

Daarna was het de beurt aan de grote Guy Clark – minder bekend dan Johnny Cash, Ricky Skaggs en Lyle Lovett, al namen ze allemaal songs van hem op. De singer-songwriter was nog herstellend van een beenbreuk en stond wat wankel op het podium, maar zijn songs en grapjes leden er allerminst onder. ‘We have no setlist. We have no agenda. We have no clue. But we have no fear’.

Iets over negen begon dan het vuurwerk. Beslist niet horizontaal (zoals bij Antwerpen 93), maar, nu ja, Amerikaans in zijn kwantiteit. Live op de televisie en zelfs The Washington Post drukt de volgende dag een grote vuurwerkfoto af op de eerste pagina, maar achteraf gezien was de apotheose misschien toch het minst memorabele onderdeel van de dag.

De kelder van de macht

Ook geweldig aan leven op Capitol Hill: dat je je de hele tijd op de set van The West Wing kunt wanen. Zo bevond ik me laatst in het Rayburn House Office Building – de plek waar Leo in een aflevering uit het derde seizoen een belangrijke deal krijgt aangeboden. Zo spannend was mijn bezoek niet. In een kelderkamertje van het weinig inspirerende kantoorgebouw zit een dienst die mij als tijdelijke ‘federal employee’ een Social Security pasje zou bezorgen. (Dat zou 6 tot 8 werkdagen duren. Als dat echt zo is, definieert men ‘werkdag’ hier op een mij onbekende manier. We zijn intussen bijna twee maanden verder.) De bedienden hadden hun lunchbreak toen ik er arriveerde (beetje vreemd, toch, om half drie ’s middags) en dus werd ik geacht voor de deur te wachten.

Veel saaier kan een omgeving niet zijn. Een kelder die uitgeeft op een reeks onbeduidende kamertjes, de ingang van de ondergrondse parkeerplaats en drie liften. Een van die liften is er exclusief voor de parlementsleden (daar verwijst ‘House Office Building’ dus naar: kantoren van leden van het Huis van Afgevaardigden). Het half uur dat ik er stond te wachten kwam niemand uit die ene lift. Misschien wisten alle parlementsleden dat iemand er een grote asbak voor had geplaatst, formaat paraplubak.

Voorts was er veel beweging. Vriendelijke postjongens, norse bedienden, piepjonge stafleden die trots hun familie rondleidden, nog meer postjongens, chauffeurs onderweg van of naar hun auto, postmeisjes… E-mail mag de klassieke brief dan al vervangen hebben, Amerikaanse politici krijgen opvallend veel post binnen. En mijn ‘Jongens & Politiek’-geest kon intussen dus alleen maar denken: aanschouw de kelder van de macht.

Op zich gebeurde er helemaal niets bijzonders. Ik heb geen bekenden gezien, er stond geen pers voor de deur, er werd nergens met de Amerikaanse vlag gezwaaid. En toch was er dus die sensatie van Belang & Geschiedenis. Dat heeft natuurlijk ook met die alomtegenwoordige verkiezingen te maken waardoor politiek weer hotter dan hot is. Aan de wand, tussen twee liftdeuren, hing een lijst met de kantoor- en telefoonnummers van alle Amerikaanse kamerleden en senatoren. John McCain, Hillary Clinton, Ted Kennedy, John Kerry… en dus ook Barack Obama. Als ik een gsm had gehad, was ik misschien wel in de verleiding gekomen dat kantoor even te bellen. Dat gevoel is mij in het Vlaams Parlement nog niet overvallen. Misschien moet er maar eens een dramareeks gemaakt worden over het leven op een of ander Vlaams kabinet.

Ondanks het terecht beroerde imago van de VS in de rest van de wereld, blijft het land tot de verbeelding spreken. Ondanks het gekonkel en ondanks de lobbygroepen die de politiek in Washington een slechte naam hebben bezorgd (ze hebben hier zelfs een eigen straat) spreekt ook de politiek nog altijd tot de verbeelding. Er hangt energie, er worden plannen gemaakt, de toekomst is een uitdaging. Of zoals dat vaste zinnetje uit The West Wing het wil: ‘What’s next?’

Gay Pride in DC

Waaraan de Gay Pride optocht gisteren aan het hippe Dupont Circle me nog het meest deed denken: de reclamecaravaan die voorafgaat aan de doortocht van de Ronde van Frankrijk. Toeterende en gillende mensen die bovenop bedrijfswagens zitten en prullaria naar de straatkant gooien om zichzelf zo te profileren als homo-vriendelijk bedrijf.

Niet dat men het hier gewoon over ‘homo’s’ heeft. Het land dat de identity politics uitvond, spreekt of in eufemismen – Capital Pride Parade – of gebruikt een veel-letterwoord waarmee verwezen wordt naar Lesbians, Gays, Bisexuals, Transgender en Queers. In vergelijking met soortgelijke optochten in Europa (en vooral de in alle vormen van extravagantie uitblinkende Amsterdamse Gay Pride) gaat het er in Washington behoorlijk rustig aan toe. Uiteraard ziet het straatbeeld er plots kleuriger uit dan elders in het grijzepakken-Washington, maar qua pluimen-in-je-gat was dit bepaald geen spectaculaire optocht.

In Washington, hoeft het nog te verbazen,  gaat het altijd over politiek. En dus bestond misschien wel de helft van de optocht uit vertegenwoordigers van allerlei kandidaten (veelal Democraten, uiteraard) die hengelen naar de steun van de homo-gemeenschap voor de gemeenteraadsverkiezingen van september of de parlementsverkiezingen in november. En er was natuurlijk ook een luid YES WE CAN-schreeuwende afvaardiging van Barack Obama, voor de gelegenheid Obama Pride gedoopt.

En zo beschouwd gaat Gay Pride hier, meer dan in Europa, niet alleen over respect en het recht je leven in te richten zoals jij dat wil; in het bepaald niet altijd homovriendelijke Amerika gaat het heel uitdrukkelijk over het vragen om & uitspreken van politieke steun – de meest toegejuichte passanten waren allicht niet toevallig de ‘Just Married’-koppels die gebruik kunnen maken van de verlichte wetgeving in hun staat die het homohuwelijk toelaat.

En nog elders

Even weg uit D.C. voor een interdisciplinair congres over ‘Netherlandic Studies’, georganiseerd door de Amerikaanse vereniging voor ‘Netherlandic Studies’, AANS, afgelopen week in Chapel Hill, North Carolina. Merkwaardige congressen zijn dat: Nederlanders, Vlamingen en Amerikanen die van Nederlandse afkomst zijn of er langdurig gestudeerd hebben spreken dagenlang met elkaar over de cultuur en taal van de Lage Landen (en Zuid-Afrika en de ex-kolonies) en ze doen dat… in het Engels. Tijdens de koffiepauzes (goede bakkers hebben ze daar in Chapel Hill, voorwaar geen evidentie in dit land) wordt er veelal Nederlands gesproken, maar zodra de lezingen, panels en discussies beginnen schakelt iedereen al dan niet gezwind over op de taal van het gastland. Of dat de academische kwaliteit ten goede komt is lang niet altijd duidelijk, maar het klinkt natuurlijk allemaal reuze-internationaal.

En zo leren we dus van alles bij over de schilders uit de Gouden Eeuw, ‘bruine’ Afrikaanstalige schrijvers en de geschiedenis van Hollandse dialecten. Ook in deze uithoek onvermijdelijk: oeverloze discussies over de Nederlandse identiteit. Tijdens de 2 ‘key note’-lezingen ging het echter vooral over de intrigerende complexiteit van Belgische identiteiten. Zo vertelde de Nederlander Michiel van Kempen een intrigerend verhaal over de familiegeschiedenis van zijn twee Surinaamse adoptiefkinderen die hij samen met zijn Aalsterse vrouw in het Frans en Nederlands opvoedt in Namen. En Geert van Istendael ging uitvoerig in op de taalkundige rijkdom van en in Brussel.

Buiten heerste intussen een hittegolf (inclusief ozonalarm) die letterlijk de adem benam. Gelukkig ging het congres door in een wonderlijk modern universiteitsgebouw – normaal gezien nochtans een oxymoron, want de meeste moderne campusgebouwen die ik ken zijn onleefbare, slecht verwarmde, slecht verluchte of volstrekt onpraktische gedrochten. Dit Fedex Global Education Center is niet alleen een uitzonderlijk geslaagd voorbeeld van samenwerking met de privé-sector, het is bovenal een ecologisch verantwoord, prachtig uitgelicht gebouw met een prima akoestiek en aangename proporties. Een moderne aanwinst op een van de mooiste campussen die ik ooit bezocht. “A slice of heaven” noemde een Amerikaanse collega die campus van Chapel Hill en daar is geen woord van overdreven. In North Carolina investeren de staat en de gemeenschap in hun hoger onderwijs en met resultaat.

Op 11 november begint de zomer

Nog over het vorige, de Amerikaanse samenleving en oorlog: de laatste maandag van mei is ‘Memorial Day’, een van de weinige betaalde feestdagen van het land, een van de weinige dagen ook waarop de Library of Congress gesloten is. In oorsprong een dag om de gesneuvelden van de Burgeroorlog te bedenken, na de Grote Oorlog uitgebreid tot alle Amerikaanse oorlogsslachtoffers.

Op de vele militaire begraafplaatsen van het land worden kransen en bloemen neergelegd, erg officieel en afstandelijk (president Bush op Arlington National Cemetery), door de oorlog in Irak helaas ook weer steeds vaker dicht-op-de-huid van de nu al meer dan vierduizend families die de afgelopen jaren geliefden hebben verloren.

In Belgie roept het woord ‘oudstrijder’ vooral beelden op van de IJzer, de Achttiendaagse veldtocht en eventueel Korea of Rwanda. In de VS zijn ‘Veterans’ overal. Ze vormen een doorlopend aandachtspunt tijdens de verkiezingscampagne en zijn, vooral in de grote steden, ook heel zichtbaar op straat – een ontstellend percentage van de daklozen in het land zijn oudstrijders, vaak zozeer getraumatiseerd of gekwetst dat ze in het normale burgerleven geen plaats (en vooral werk) kunnen vinden en letterlijk de rest van hun leven slijten in kartonnen dozen.

De Library of Congress eert de Veterans gelukkig met meer respect. In het Veterans History Project archiveert men ooggetuigenverslagen van Amerikaanse oudstrijders van WOI, WOII, Korea, Vietnam en de verschillende Golfoorlogen & Afghanistan. Soldaten worden uitvoerig geïnterviewd, hun brieven en dagboeken en foto’s en video-opnamen worden gearchiveerd.

Voor de meeste Amerikanen is Memorial Day echter bovenal een vakantiedag, het officieuze begin van de zomer, gevierd met festivals, sportwedstrijden en – veel Amerikaanser kan het allicht niet – speciale Memorial Day koopjesdagen. Dat vindt niemand vreemd of ongepast. Markt is het altijd, oorlog of niet.

Woorden en geweren

Een originele gedachte is het niet, maar waar is het is wel: de Amerikaanse maatschappij is geobsedeerd door geweld en heroiek.  Dat kun je afleiden uit het aantal gespecialiseerde maandbladen dat hier nog doorlopend verschijnt over militaire geschiedenis in het algemeen en de Amerikaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog in het bijzonder. (En opvallenderwijs niet over de Eerste Wereldoorlog of Vietnam …). Maar het blijkt ook uit de inrichting van de Mall en omgeving in Washington D.C. Nagenoeg alle monumenten hier zijn gewijd aan vermoorde leiders of oorlogen.

Dat geldt ook voor de foto die u boven  deze blog ziet, gekozen door de Klara-redactie: het monument voor de gesneuvelden van de oorlog in Korea. Minder bekend dan het aangrijpende Vietnam Memorial en opvallend figuratief illustreren deze soldaten de centrale boodschap van dit monument: ‘Freedom is not free’.

Een heel bijzonder Mall-monument heeft maar onrechtstreeks met de oorlog te maken –  het uitgestrekte, indrukwekkende Memorial voor president Roosevelt.  Dat bestaat voornamelijk uit hele grote lappen tekst – historische uitspraken van de man die met zijn New Deal het land grondig hervormde en het mee naar de overwinning in WOII leidde. Want ook daar gelooft dit land heilig in: woorden en hoe ze de geschiedenis vormgeven. Er gaat geen dag voorbij of in een politieke toespraak wordt verwezen naar de grondwet en naar gedenkwaardige uitspraken van vroegere leiders. Ook achter de indrukwekkende zuilen van de Memorials voor de presidenten Lincoln en Jefferson hangen gigantische borden met alleen maar tekst: Lincolns beroemde toespraak in Gettysburg en bijna even klassieke citaten van Jefferson – allemaal woorden die veel Amerikaanse bezoekers kunnen meelippen.

Dit land is gebouwd op woorden en het wordt elke dag in die woorden heruitgevonden. Daarom ook is de Great American Novel een belangrijk genre en is de Grote Vlaamse Roman een stripverhaal. Er is geen betere plek voor een schrijver om te zijn dan Amerika. Ik schrijf hier dan wel een boek over Europa, maar bovenal schrijf ik er een over oorlog. Voor mijn generatiegenoten in Europa is oorlog een vaag concept, bekend van decoraties van grootvaders en films over Vietnam. Maar hier is het geen fictie. De heroiek is nog altijd moeilijk te begrijpen voor buitenstaanders en gezien de manier waarop Veterans hier worden behandeld is het zelfs ongeloofwaardig. Maar die memorials zijn indrukwekkende getuigenissen van de mythe waarin dit land gelooft en waarmee ze ons dag na dag opnieuw confronteert. Een geloof in woorden en een nog groter geloof in het uiteinde van een geweer.

Naar de bank

Mijn huisbazin is een aardige vrouw, maar heel erg 21ste-eeuws kan ze niet worden genoemd. Hoewel we, toevallig, bij dezelfde Amerikaanse bank zitten en het dan heel erg makkelijk is om elektronisch geld over te maken, weigert ze haar rekeningnummer te geven. ‘Niemand kent mijn rekeningnummer, zelfs mijn broer niet.’ Gevolg: de huishuur moet elke maand betaald worden met een cheque. Waarna zich een ritueel voltrekt dat je er ernstig aan doet twijfelen of Amerika echt wel het centrum van het wereldkapitalisme is.

Het begint zo: ‘Hi, welcome to the Bank of America. How can I help you today?’ Heel erg vriendelijk, die Amerikanen. Elke dag opnieuw. Maar het meisje (telkens een ander) dat de klanten opwacht bij de deur van het bankfiliaal, staat daar helaas haar en mijn tijd te verdoen. Het antwoord op haar vraag kent ze immers: ze kan me helemaal niet helpen.  Per definitie. Haar enige taak en bevoegdheid is de binnenkomende klanten gedag te zeggen. Vriendelijk, dus. En zeer sympathiek. Maar wanneer er twintig mensen staan aan te schuiven en deze bank verdacht veel op het postkantoor van Borgerhout begint te lijken, dringt zich de vraag op waarom dit meisje niet gewoon ook een van de loketten kan bedienen. Die vraag is natuurlijk al even naast de kwestie als haar vraag hoe ze me kan helpen.

Je zou denken: even cheques aanvragen, hoe moeilijk kan dat zijn? Nagenoeg onmogelijk, blijkt. Ik heb mijn rekening immers geopend in Californië en, tja, meneer, dat is onhandig, want, weet je, met Californië kunnen wij geen zaken doen. Tot zover het concept ‘Bank of America’. ‘Bank of 49 states’, zullen ze bedoelen. Ik kan wel zelf die cheques aanvragen, telefonisch. Helaas betreft het een van die nummers waar je – zoals in die ene aflevering van Friends – dagenlang ‘on hold’ wordt gezet.

En dus moet ik maandelijks naar het kantoor – ‘Hi, welcome to the Bank of America. How can I help you today?’ -, aanschuiven en de bediende van dienst (telkens een andere) ervan trachten te overtuigen dat ik solvabel en legaal genoeg ben om een zogenaamde ‘Cashier Check’ aan uit te schrijven. Op zich zou dat laatste makkelijk te bewijzen moeten zijn door mijn Social Security Number op te dreunen. Maar dat, helaas, zit niet in de computer omdat ik mijn rekening opende in Californië en, nu ja, daar doen ze dus geen zaken mee.

Vele, vele wijlen later (want inderdaad: ik heb een gekke naam en waar bevindt zich in zo’n obscuur buitenlands paspoort ook weer het visum?) wensen wij elkaar nog een prettige dag. Bijna tot buiten staan de klanten intussen aan te schuiven. Hoe kan het ook anders: dit is het centrum van het wereldkapitalisme.

TAGS: -