blog/Het Leven Is Elders

Archief: juni, 2010

Poëtische escapades

Schizofreen

Ik heb al verteld dat ik eigenlijk maar met de helft van mijn hoofd in Italië woon. Een groot deel van mijn gedachten ging het voorbije jaar naar Litouwen. Of beter gezegd: een groot deel van mijn tijd hier zat ik niet verdiept in Italiaanse, maar in Litouwse woordenboeken en was ik Litouwse poëzie aan het vertalen. Het was inderdaad een schizofrene situatie en zorgde voor heel wat kortsluiting in mijn hersenen. Maar zulke zaken vallen mettertijd ook wel in hun plooi. En nu is het resultaat er: op maandag 14 juni overhandigde Leo Peeraer van uitgeverij P het eerste exemplaar van de vertaalde bundel aan de Litouwse schrijver Eugenijus Ališanka, en het tweede exemplaar aan mij.
Alles is veel voor wie niet veel verwacht.

Het was maar een piepkleine gebeurtenis op de agenda van het grote internationale festival Poetry International dat elk jaar in Rotterdam wordt gehouden, maar voor mij was het één van de grootste momenten in mijn leven tot nu toe (schrijvers leren wel gelukkig te zijn met weinig;-). Een jaar zweet en tranen had eindelijk vorm gekregen in een echt boek. ‘Uit het archief van ongeschreven brieven’ koos ik uiteindelijk als titel, ontleend aan een ietwat melancholieke, prachtige reeks gedichten die erin zijn opgenomen. Tot mijn vreugde zie ik ook Ališanka blij verrast kijken als hij het boek voor het eerst ziet. Het ziet er sober, maar chic uit, en het chicste is natuurlijk wat erin staat: meer dan vijftig gedichten in Nederlandse vertaling en in Litouws origineel. Niet veel uitgeverijen durven zo nog iets uitgeven.

Het leven houdt zijn wonderen verborgen …

Dit avontuur begon nu bijna twee jaar geleden. Of moet ik zeggen zes jaar geleden, toen ik door omstandigheden de kans kreeg om Litouws te leren. Bijna niemand leert Litouws, en als ik goed had geweten waaraan ik begon had ik het ook nooit van mijn leven gedaan. Van alle talen die ik al geleerd heb, en dat zijn er wel wat, is het de allervreselijkste taal, en dan wordt het nog door bijna niemand gesproken ook. Nu ja, drie-vier miljoen is niet helemaal ‘bijna niemand’, en omdat er zo weinig buitenlanders zijn die hun taal willen leren moet ik zeggen dat alle Litouwers die ik al ben tegengekomen ontzettend vriendelijk en behulpzaam zijn als ik me verstaanbaar probeer te maken, wat na die zes jaar eigenlijk nog altijd moeilijk is, o.a. omdat ik nu ook weer niet zo vaak Litouwers tegenkom en Litouwen niet vaak op mijn route ligt. Maar lezen kan je overal, en internet is een godsgeschenk voor mensen als ik, dus leerde ik het werk van Eugenijus Ališanka kennen, en vond het heel interessant. Het toeval wou dat hij werd uitgenodigd voor een literaire manifestatie van de Brusselse organisatie Passa Porta, zodat ik hem kon ontmoeten en het idee van een bloemlezing met hem kon bespreken. Eerlijk gezegd wou ik niet alleen weten of hij zo’n bloemlezing zag zitten, maar ook of ik hem als persoon wat zag zitten, want ik wist dat dat wel moest als we zo’n lange literaire reis samen zouden ondernemen. Alles zat gelukkig meteen snor.

… tot het ze plots toont in hun vollen pracht.

En zo belandden we samen op Poetry International, Ališanka als dichter, ik als vertaler. Ook van het festival was hij helemaal onder de indruk. En welke dichter zou ook niet, als je een week in Rotterdam kan vertoeven tussen een keur van interessante dichters uit de hele wereld, de perfecte broedplaats voor levenslange poëtische vriendschappen en samenwerkingsverbanden. Tien jaar geleden was ik hier zelf als dichter en leerde ik onder andere een Nigeriaanse dichter en mensenrechtenactivist kennen, Ogaga Ifiwodo, die enkele jaren later bijna in een gevangenis bezweek aan de typische onpoëtische ziekten waar zo’n oord je op trakteert. Na zijn vrijlating onder internationale druk weigerde hij het asielaanbod van Nederland, omdat hij dan nooit meer naar Nigeria zou kunnen gaan, maar een studiebeurs voor de VS bood uitkomst. Uitgerekend deze week krijg ik bericht van hem dat hij op het punt staat zijn doctorstitel van de Cornelluniversiteit in ontvangst te nemen. Soms is het leven goed … 

P.s. Ik zou dat moeten gaan vieren tijdens het optreden van Femi Kuti op Couleur Café, maar tegen dan zit ik alweer op mijn trouwe post in Italië, beloofd.

De schaamte voorbij

Meer

Berlijn maakt zich op voor het WK Voetbal in Zuid-Afrika. De Duitse Mannschaft is, in tegendeel tot onze Rode Duivels, geselecteerd en verkondigt in topvorm te zijn. Het volk gelooft dat graag, de commercie ook. Overal worden grote schermen geïnstalleerd, feestjes voorbereid en bier gekoeld. De Duitse driekleur verschijnt opvallend in het straatbeeld: je kan tv-dekentjes en koffiekopjes, autospiegelbekleding en worsten kopen in de driekleur. Onze kinderen kwamen thuis met tijdelijke tattoos met de Duitse vlag op hun wangen. In de winkel zag ik WK-yoghurt: grasgroene yoghurt met zwart-witte cornflakesvoetballetjes. Ik ga er toch nog eens over nadenken of we ons echt mee in de gekte storten.

Ondertussen verplaatst het stadsleven zich omwille van de tropische temperaturen naar de honderden meren in en rond Berlijn. Daar doen we wel met veel plezier aan mee en trekken er vaak met de fiets op uit. Ver moet je niet rijden: Berlijn is één van de groenste steden van Europa. 18% van de stad bestaat uit natuur en parken en 7% uit meren, rivieren en kanalen. We testten al de Flughafensee, een kunstmatig meer dat ontstaan is bij de bouw van de luchthaven “Tegel”. Die luchthaven verdwijnt binnenkort, maar natuurlijk zal het meer midden in de bossen blijven bestaan. Door de vele kleine strandjes met schaduwplaats merk je niet eens dat er veel volk is.

Aan alle meren en zelfs in veel stadsparken valt op zulke warme dagen ook een schaamteloze erfenis van het communisme op. Nergens was het naturisme zo ingeburgerd als in de DDR en die traditie blijft gewoon verder bestaan. Zonder dat het ergens officieel aangeduid staat, verzamelen gelijkgezinden zich en ontstaan er als vanzelf natuurlijke grenzen tussen naakt en niet-naakt. En iedereen voelt zich daar goed bij.

Double Sexus

Gelukkig bestaat er ook nog schaamte, al was het maar als drijfveer van een artistiek oeuvre. Af en toe zoeken we namelijk ook verkoeling in een museum. De dood van Louise Bourgeois, waarover op deze pagina’s uitgebreid bericht werd, was een goede aanleiding om Double Sexus nu te bezoeken. Het gaat om een dubbeltentoonstelling van Louise Bourgeois met Hans Bellmer. Op aanraden van het museum zelf werd dat een bezoek zonder kinderen, omwille van de expliciete seksuele verwijzingen.

Double Sexus is de eerste tijdelijke tentoonstelling van de Sammlung Scharf-Gerstenberg, dat sinds vorige zomer het voormalige Egyptische museum in Charlottenburg betrekt. Waar ooit Nefertiti stond, kan je nu een heel andere soort van majesteit zien. Een wezen zonder hoofd, maar met scherpe klauwen, zes borsten en een fallus, staat op zijn achterbenen klaar om te springen. Het is een soort sfinx met een magische aantrekkingskracht. Het werk van Bourgeois heet „Nature Study“ en is een zelfportret. Zeven jaar later maakte ze „Mamelles“, een landschap van uiers, zoals ze het zelf beschreef. De bezoeker wordt ertoe verleid het te betasten. Bourgeois speelt met een abstracte zinnelijkheid. Het is een erotische geladenheid die ook een komische kant heeft.

Ook de surrealist Hans Bellmer (1902–1975) had een zwak voor veelborstigheid en fallussen, maar luchtig is dat bij hem nooit. Het is eerder bezetenheid. Het dubbele geslacht is bij hem eerder een poging om erotische fantasieën in toom te houden. „La Toupie“ bijvoorbeeld is een kegel bestaande uit borsten die zich als een tol naar beneden toe verjongen. De tol lijkt in je verbeelding te draaien. Je ziet geen lust, enkel geweld.

Bourgeois en Bellmer hebben elkaar nooit ontmoet en toch vertonen hun werken veel parallellen. Het zilverglanzende Bellmerobjekt „Die Puppe (Rumpf)“ in de inkomhal had net zo goed een werk van Bourgeois kunnen zijn. De gewrichten aan de dijen van het dubbelwezen, dat verder enkel uit een buik en twee schoten bestaat, lijken op borsten, maar ook op een zitvlak en soms zelfs op teelballen. Op een beroemde foto van Mapplethorpe staat Bourgeois met een brede grijns een reusachtige penis onder de arm. Een afgietsel van dit werk bevindt zich ook in de tentoonstelling. Wie goed kijkt, ontdekt tussen de teelballen een vagina. Niets is wat het lijkt.

Bellmer emigreerde in 1938 onder druk van het nationaalsocialisme van Berlijn naar Parijs, nadat de surrealisten foto’s van een door hem geconstrueerde pop hadden gepubliceerd in hun tijdschrift „Minotaure“. De Duitse Bellmer had de Parijse Bourgeois gemakkelijk kunnen ontmoeten. Ze woonde er boven de galerie van Breton. Maar ondanks de parallellen hadden ze waarschijnlijk toch niet precies geweten wat ze met elkaar moesten aanvangen. Bellmer creëerde een alternatieve wereld, terwijl Bourgeois veel meer in de realiteit stond.

Wie oversekst buitenkomt, kan nog met hetzelfde ticket het vlakbij gelegen Berggruenmuseum bezoeken met vooral werken van Picasso, Klee en Matisse. Wie weer de natuur wil induiken kan de straat oversteken en verdwalen in het kasteelpark van Charlottenburg, met of zonder schaamte.