blog/Het Leven Is Elders

Archief: maart, 2010

Boekenparadijs Bologna

In mijn agenda stond het al maanden aangestipt. Niet het festival van San Remo, het carnaval van Venetië of de wereldkampioenschappen kunstschaatsen van Turijn, laat staan de regionale verkiezingen. Maar wel de kinderboekenbeurs van Bologna. Voor iets met boeken ben ik altijd te vinden, voor kinderboeken nog meer. Ik laat het regenachtige Varese achter me, en kom in een zonnig Bologna terecht, waar een pendeldienst me recht van het station naar de beurshallen brengt. Lelijke gebouwen, maar zodra ik er binnenstap, kom ik terecht in een sfeer van betovering …

De mooiste boeken uit de hele wereld zijn hier uitgestald: Japanse kinderboeken overladen met kersenbloesem, Slowaakse prenten van allerlei soorten Baba Jaga’s, Arabische boeken die je van achter naar voren moet doorbladeren, boeken in het Catalaans, Baskisch, noem maar op.  Het is hier niet zo druk als op de boekenbeurs van Antwerpen, waar horden ongerichte boekenliefhebbers elkaar over de voeten struikelen. Maar wie hier is, is bezig en rijgt het ene ernstige gesprek aan het andere. Op de verdieping van de literaire agenten strekt zich voor mijn ogen een hilarisch landschap uit van lange rijen hokjes van een meter op twee waarin telkens twee mensen aan een klein tafeltje met elkaar in gesprek zijn. Gelukkig heb ik eraan gedacht op voorhand afspraken te maken. meer lezen …

Voodoo vibes in Londen

Afgelopen zaterdag kuierde ik gezellig op Portobello Market, in het hartje van Notting Hill. Het was heerlijk zonnig na zes dagen non-stop regen en dus ook enorm druk. Mijn Engelse man Karl ergerde zich aan de horden Italiaanse zonnebrillen en aan de trage tred van de toeristen. Een paar jaar geleden was ik nochtans ook zo’n irritante, slenterende toerist die maar niet genoeg kreeg van de boho vibe die er op Portobello heerst. Tien jaar geleden, zeg maar, want zolang is het al geleden dat ik hier voor het eerst neerstreek en mijn eerste ’sausage and mash’ proefde bij S&M. Notting Hill heeft na al die jaren niets van zijn charme verloren: de pastelkleurige Victoriaanse huisjes, de reggae marktkraampjes en de blinkende oldtimers doen me mijmerend terugdenken aan cocktail parties, vintage clothes shopping en gezellige praatjes met de Rastafari uit de buurt.

Na Notting Hill gaan we op weg naar het oosten van Londen, aan de andere kant van de stad, voor een concert van een legendarische voodoo & funk muziekgroep, L’Orchestre Poly-Rythmo de Cotonou, in het Barbican concertcomplex. Dit gebouw is vergelijkbaar met de Antwerpse Singel, zij het dan veel groter. Het is niet enkel een architecturale trekpleister, maar ook een residentiële woning voor meer dan tweehonderd Londenaars waaronder vele bankers from The City.

Op weg zei ik? Jammer genoeg waren er alweer werken aan de metrolijnen, met een twee uur durende rit tussen zure gezichten tot gevolg. De Olympische Spelen komen eraan, en de burgemeester, Boris Johnson, doet er alles aan om de verbindingen naar het Oosten uit te breiden. De Engelsen klagen dan ook vaak over het verouderde transportsysteem, waarschijnlijk zonder hun irritatie met de burgemeester zelf te delen. Het zit niet in hun cultuur om te rebelleren tegen de autoriteiten. Hun woordenboek zit vol met uitdrukkingen als: stiff upper lip, chin up, onwards and upwards. De frustratie wordt eerder met medepassagiers gedeeld zoals een ietwat tipsy pub ‘crawler’ bewijst: hij verliest zijn geduld en roept “As a nation, we are waiting for a train which won’t come till the next generation!”

We hadden geluk, we waren toch nog op tijd voor het Afrikaanse fenomeen. L’Orchestre Poly-Rythmo de Cotonou koos na honderd albums en veertig jaar samenwerken in West- Afrika een jaar geleden Londen uit als eerste Europese bestemming. Vervolgens reisden ze door naar België en dan naar de rest van Europa om uiteindelijk terug te eindigen in één van Londens grootste concertzalen gevuld met drieduizend fans. Het werd een bedwelmende mix van polytheïstische traditionele voodoo muziek met funk, soul, psychedelische guitar riffs en Hammond-orgelgeluiden. De populaire religieuze muziek waar de band zich op baseert, wordt in Benin – de geboorteplaats van vodoun – gebruikt om met de goden te communiceren.

Ik was erg benieuwd om te zien wat voor een publiek hiervoor zou opdagen, de typische geitenwollensokken wereldmuziekfans of eerder funk liefhebbers? De oudere rockers en hippies deelden vrolijk de bar met het jongere trendy volkje uit Londens East End waar ik mezelf durf bij te rekenen. Pas op, ik heb niets tegen de oudere generatie. Ik werk zelf al tien jaar samen met platenpioniers als Joe Boyd en Charlie Gillett die de term wereldmuziek hier in London hebben uitgevonden en die uiteindelijk ook de eerste bekendheden uit het genre zoals Ali Farka Toure naar London brachten.

Ons oog viel ook op een groepje Afrikaanse fashionistas gekleed en gekapt als Grace Jones. Deze mooie meiden werden tijdens het concert op het podium geholpen door de zeventigjarige voodoo kings die er met hun zijden hemden – waarop ze een das hadden geschilderd (geniaal idee!) – en sexy danspasjes zeker in slaagden een brede glimlach op onze gezichten te toveren.

Was het de legendarische band zelf die het jonge volk had aangetrokken? Of was het popster Franz Ferdinand die ook helemaal onder de indruk is van deze psychedelische voodoo maestros met hun ’70s James Brown vibe? Moeilijk te achterhalen. Het maakt me ook niet uit. Ik was gewoonweg gelukkig deze rauwe, wilde sexy muziek te kunnen delen met mijn eigen Britse vent.

Een Italiaans dichter in Varese/Brussel

Uit Brussel komt er een nieuwsbrief van Passa Porta. Daar loopt in maart een tentoonstelling van kunstenaar Richard Venlet die gedichten van de Italiaanse dichter Fabio Scotto over de Dansaertbuurt een plaats moet geven. Brussel heeft niet één stadsdichter – hoeveel talen zou die wel niet moeten kennen- maar de organisatie Het Beschrijf nodigde verschillende dichters uit alle streken van België en ver daarbuiten uit om telkens over een bepaalde buurt van ons aller hoofdstad iets te schrijven.

Fabio Scotto en Richard Venlet

En de Italiaanse dichter blijkt uit mijn streek in Italië te komen, uit Varese, de dichtstbijzijnde stad voor ons, waar ik al bijna niet meer naartoe ga, omdat er toch geen fatsoenlijke boekhandel is. Nu is er dus een dichter gesignaleerd … Misschien wil hij mij wel in zijn stad wegwijs maken zoals hij mijn stad heeft verkend?

In de beste boekhandel van de stad kan ik alleen het laatste boek uit zijn uitgebreide oeuvre kopen, ‘A riva’, poëtisch proza waarin de schoonheid van het merengebied wordt bezongen: ‘Un lago è il grande occhio della terra …’, een meer is het grote oog van de aarde, kristallijn van kleur, met af en toe een traan door de wind of door een bruusk afscheid; een oog dat niet ziet, maar je op elk uur van de dag in de gaten houdt.

Na het lezen hiervan verwondert het me niet dat hij meteen als we elkaar ontmoeten benadrukt dat hij eigenlijk niet van deze stad houdt, maar wel van de meren in de buurt. ‘Vooral ook vanwege de politieke evolutie hier … ‘, zegt hij bedroefd. We lopen over het Garibaldiplein en hij wijst mij op de vlag van Lega Nord, die aan het balkon van de partijzetel hangt. ‘Garibaldi was voor de eenheid van Italië. Zij willen de onafhankelijkheid van het noorden. Het is geen toeval dat ze hier hun vlag komen planten.’ Ik had me voorgenomen om het niet over politiek te hebben, maar net zoals bij veel andere Italianen die ik tegenkom, is het gewoon niet te stuiten, zo verontwaardigd zijn ze over de gang van zaken in het land.  Scotto legt uit dat hij eigenlijk van Sardische afkomst is, uit een familie van zeelui, die wel vaker in havens buiten Sardinië de liefde van hun leven tegenkwamen en er zich dan vestigden. Zijn vader was de eerste in de familie die geen zeeman werd. Hij kwam als jurist in Varese terecht.

“Ik heb dus ook zuiders bloed in mij, zoals bijna alle Italianen. Al dat gepraat over een zuivere noordelijke cultuur is dan ook onzin. De mensen hebben hier altijd pizza’s gegeten en tango gedanst.” Met hart en ziel pleit Fabio Scotto voor de vermenging, voor het ‘onzuivere’, zoals hij zelf in zijn gedichten onder andere soms Frans en Italiaans combineert, of poëzie en proza. Geen wonder dat hij tijdens zijn verblijf in Brussel een gedicht heeft gewijd aan het Zinneke, het hondje dat de Brusselse bastaardidentiteit symboliseert, en waarvan er een beeld in de Kartuizerstraat staat:

“Zijn linkerachterpoot in de lucht

pist de bastaard op de kasseien

de Kartuizerstraat

Zinneke, een van ons

Wie weet waar vandaan

Wie weet waarheen gegaan

(vert. Sandra Verhulst)”

Ja, aan Brussel heeft hij een nieuwe liefde overgehouden. ‘Ik ging er naartoe met de vooroordelen van een Fransman, want ik ben professor Franse literatuur, maar na een week rondlopen en allerlei lieve mensen ontmoeten, van een minister tot politieke vluchtelingen, ben ik er helemaal door betoverd.’

En ik denk aan het gedenkteken op de Anspachlaan waar Scotto waarschijnlijk onopgemerkt langs is gelopen, dat ik zelf ook pas heb opgemerkt, en dat een huis aanduidt waar Giusseppe Mazzini, één van de belangrijke geestelijke vaders van het eengeworden Italië, in ballingschap verbleef.

Tja, hoe vaak denk ik niet bij mezelf: de aarde is echt wel rond …

Theater zkt. Bekende Fransen

Parijs telt meer dan 100 théâtres, comédies en maisons. Hoog tijd om mijn goede voornemen – me volledig onderdompelen in het Parijse cultuurleven – waar te maken en in m’n nieuwe stad de geur van theaterplanken en rood fluweel te gaan opsnuiven.

Ik koos het Théâtre de la Madeleine, één van de meest prestigieuze privétheatertjes uit het begin van de vorige eeuw. Het ligt in het 8e arrondissement, in de schaduw van de imposante Eglise de la Madeleine. Ik moet eerlijk toegeven dat mijn keuze voor één bepaalde voorstelling in deze theaterzaal niet echt gestaafd was met cultureel hoogdravende argumenten. Het is de jongedame op de affiche die mijn aandacht trok.

meer lezen …

Iedereen naar het museum

Mach mit!

“Papa, het is goed dat wij soms ook eens alleen op stap gaan. Dan hebben we geen gezaag aan ons hoofd.” Soms klinkt Jana met haar vier jaar al veel ouder, zeker nu ze na amper twee maanden al Duitse woorden suggereert als ik er niet meteen opkom.

Omdat het MACHmit!-Kindermuseum pas vanaf 4 jaar interessant wordt, hadden we vandaag zo’ n dochter-vaderdagje. Een meedoemuseum, dat betekent al spelend leren, en vooraleer een museum me ervan kan overtuigen dat zoiets kan, moet het bij mij al een flinke dosis scepticisme overwinnen. Ik kan niet zeggen dat het helemaal gelukt is, maar ik kan wel zeggen dat we een erg fijne dag hadden.

We klommen op een gigantisch klimrek, Jana knutselde een deurhanger en een mobiel in de vorm van een gans, we ontdekten tweehonderd jaar oude slaapliedjes, verdwaalden in een spiegelpaleis en werden heel klein op een grote stoel. Museum? Dat klinkt toch meer als een speelhol, hoor ik je zeggen. En ik spreek je niet tegen. Er was ook een tijdelijke tentoonstelling over ‘slapen en dromen’, een hele mooie oude zeepwinkel en een nog oudere drukkerij. Jammer genoeg loop je daar verloren zonder de educatieve begeleiding die schoolklassen krijgen.

Ik was vooral onder de indruk van de herbestemming van de Eliaskerk in Prenzlauer Berg, waarin het museum gehuisvest is. Prenzlauer Berg is al een tijdje het jongste deel van Berlijn, waar het straatbeeld bepaald wordt door jonge koppels met buggy’s en kinderwagens. Een populair café heeft er deze week zelfs een kindervrije zone geopend. Zo komen ook diegenen die in alle rust iets willen drinken voor tien uur ’s avonds weer aan hun trekken.

Berlinische Galerie

Enkele dagen eerder was ik geheel kinderloos op de opening van de nieuwe tentoonstelling in de Berlinische Galerie. Hoewel hier dan weer het woord ‘museum’ in de naam ontbreekt, gaat het om een van de interessantste musea van Berlijn. Het is een museum dat nog durft te experimenteren en in de loop van zijn jonge geschiedenis ondanks een zeer krap budget een indrukwekkende collectie moderne kunst heeft verzameld. De privévereniging die aan het museum ten grondslag ligt, bestaat nog maar sinds 1975 en op de huidige locatie vlakbij het joods museum begon het verhaal van de Berlinische Galerie pas in 2004.

GASAG

De huidige tentoonstelling stelt het kunstbezit van de privéfirma GASAG centraal, dat voor minstens twintig jaar aan de Berlinische Galerie wordt uitgeleend. GASAG is een grote gasleverancier die met zijn project ‘Kunst im Bau’ een voorbeeld mag heten voor vele firma’s. In hun Shell-Haus bouwden ze een fantastische collectie moderne kunst van Berlijnse kunstenaars op. Die collectie was zeer eng met de locatie verbonden en werd vaak zelfs speciaal voor de locatie gemaakt. Om allerlei redenen die hier niet ter zake doen, verhuist het bedrijf binnenkort.

Voor sommige kunstwerken die niet uit het gebouw te verwijderen zijn , kan je alleen hopen dat de nieuwe huurder van het Shell-Haus een even grote kunstliefhebber is. De werken die wel transporteerbaar zijn, werden nu dus als geheel aan de Berlinische Galerie uitgeleend. Soms is zoiets een vergiftigd geschenk: de eigenaar wil zijn kunstwerken opwaarderen door een passage in het museum en moet intussen zelf niet instaan voor het onderhoud.

GASAG heeft ook op dat vlak een voorbeeldfunctie als je weet dat het alle restauratie-, depot- en verzekeringskosten op zich neemt en geen expositievoorwaarden aan deze leenschenking verbindt. Toch legt de schenking het GASAG ook geen windeieren. Het bedrijf komt met zijn kunstpolitiek al jaren ontzettend positief in het nieuws. Steeds vaker willen bedrijven zich inschakelen in deze positieve spiraal, nu zelfs meer dan twintig procent van Berlijns bruto nationaal (nu ja, stedelijk…) product uit kunst en cultuur komt. De tendens is overigens nog steeds stijgend. Hopelijk is Berlijn ook op dat vlak een voorloper.

Berlin Transfer

Maar het belangrijkste blijft natuurlijk de tentoonstelling zelf en daarvoor was er op de opening alvast ontzettend veel belangstelling. Aan de openingsreceptie kan het niet liggen, want die werd afgeschaft omdat er met het beperkte budget beter kunst dan slechte wijn kan worden gekocht. Je kan het museum geen ongelijk geven.

In “Berlin Transfer” wordt de GASAG-collectie geconfronteerd met recente aankopen van de Berlinische Galerie zelf. De collecties zijn zeer complementair omdat ze dezelfde focus op het hedendaagse Berlijnse kunstgebeuren hebben. In een vrij organische tentoonstelling van 80 werken van meer dan 50 kunstenaars krijg je in vijf thema’s een mooi overzicht van de caleidoscopische Berlijnse verscheidenheid in de hedendaagse kunst. De presentatie toont soms enkel wanorde, maar af en toe ook een reflectie op die verscheidenheid.

Zelfs het grootste minpunt van de tentoonstelling kan een pluspunt zijn. Soms zie je op foto’s hoe de werken van de GASAG-collectie gepresenteerd werden in het Shell-Haus. Sommige werken verliezen door de andere context duidelijk aan esthetiek en relevantie. En net dat is iets waarover je nooit zou nadenken als ze niet verplaatst waren.

Tot 24 mei heb ik nog de tijd om de tentoonstelling ook met Jana te bezoeken. Niet elk museum moet een meedoemuseum zijn.