Gezien de jeugd van mijn stad weer massaal vuurwerk heeft ingeslagen (zie hier), snakte ik ver weg te zijn van de warmte van mijn mededieren. Ik verlangde naar een nacht die als een zwaar deken op me zou liggen. Daarom werd het een waddeneiland. Op Vlieland mogen geen auto’s komen. Het bestaat uit één dorp.
De gigantische veerboot die naar gefrituurde snacks rook, geselde zeehonden uit de Noordzee. De eilandjongens wisten verbazend snel contact te leggen met import-leeftijdgenoten. De donkere nachten en schaarse cafés maakten je waarschijnlijk behendig en weinig kieskeurig. Aangemoedigd door de ontluikende kruisbestuivingen besloot ik een blondine aan te spreken. Ze zat al een uur naar buiten te staren. Haar ogen lagen diep en droevig. Ik bood haar een kop koffie aan. Ze schrok, sloeg af en op de vlucht. Letterlijk, ze holde het dek af. Even was ik bang dat we een springer aan boord hadden. Had ik als vastelander een gruwelijke culturele faux pas begaan? Ik checkte mijn gulp. Fatsoenlijk dichtgeknoopt. Dat kon het niet zijn.
Bij het aan wal gaan zag ik haar niet meer. Ik volgde een paar dagen het regionale nieuws maar er kwam geen prachtig doch ontzield lichaam bovendrijven. Ondertussen waren de stranden witbesneeuwd en verlaten, de zee als rollend graniet. Ik ging op de top van een duin staan, zag het wolkendek op me afdeinzen, voelde iets nietzscheaans. Ik had zin in dure beloftes maar kon niets verzinnen. ’s Nachts hoorde je alleen het dichtklappen van vossenvallen. Een invasieve exoot die hier niets te zoeken had.
In een café zat een eilander die heel hard zijn best gedaan om er als een eilander uit te zien. Rubberen laarzen, een witte zeehondensnor als twee bollen wol op zijn roodbeaderde wangen geplakt. Hij bood mij iets plaatselijks aan. Uit antropologische overwegingen zei ik ja.
Misschien sijpelden mijn zorgen naar buiten maar de man begon te praten over de dood op het eiland. Hoewel het eiland nog geen 1200 inwoners telt, is het van allerlei soort bedrijven voorzien. Behalve een begrafenisondernemer. Er is wel een commissie voor de overledenen. Wanneer een eilander heengaat, wordt de commissie op de hoogte gesteld die regelingen treft. Iedere gesneefde krijgt een rouwstoet door de hoofdstraat. Fietsers moeten dan afstappen, winkeliers wordt gevraagd geen waar buiten te stallen en de lichten te doven. Vooral die donkere etalages ontroerden me. Je gaat niet met afgeprijsde krakelingen leuren als het enige van waarde verloren is gegaan.
Op de boot terug sprak ik uit voorzorg niemand aan. Ik was ook wat misselijk van de kruidenbitter van de dag ervoor. Misschien had ik er ook gewoon niets te zoeken.
Afbeelding: Het schild van Vlieland



10/01/2010 om 19:53
Yvonne van der Meer kan zich zorgen maken…