Mijn groottante was getrouwd en kinderloos. Omdat haar man genoeg verdiende, werkte ze niet. Ze leefde in een tijd en dorp waarin een werkende vrouw een teken van armoede was. Maar ledigheid was een zonde en daarom deed ze het huishouden. Al had ze een schoonmaakvrouw.
Dus zette mijn groottante wekelijks de zoldervloer in de was. Het kopen van een kip voor het zondagse middagmaal was een taak die de helft van de week in beslag nam. Ze nam het stof af dat tussen de dakpannen lag. Elke avond ging ze afgepeigerd naar bed. Niemand vroeg haar ooit wat ze deed. De angst dat die vraag ooit gesteld zou worden, volstond om decennia te vullen met het schrobben van stoepen en dakgoten.
In een andere tijd en plaats studeerde ik literatuurwetenschap. Hoewel ik niet leef in 1950 en mijn omgeving geen dorp is waar de pastoor wekelijks vraagt of er nog kinderen komen, vreesde ik bij de aanvang van mijn studie dezelfde vraag als mijn groottante. Of aangepaste varianten als: ‘Waarom lees je dan geen Kluun?’ en ‘Wat kun je daar later mee worden?’Om die vragen te kunnen beantwoorden, ging ik werken voor een tekstbureau, interviewde ik Jomanda en de Kluuns van rond de eeuwwisseling. Ik schreef stukjes, dat was wat ik deed. Af en toe volgde ik een vak bij literatuurwetenschap.
Studiegenoten verdwenen of kregen hun bul. Ze gingen werken in het bedrijfsleven, het onderwijs, de administratie, de journalistiek, het buitenland, de horeca, de wetenschap en de ambtenarij. Ze kregen kinderen. Ze verdienden behoorlijk, bovenmodaal, aanzienlijk bovenmodaal en slecht. Statisch gezien zullen er zeker werklozen bij zitten maar die ken ik niet.
Met ieder afstudeerfeestje dat niet het mijne was, verdampte de angst voor de vragen over mijn toekomst.Als ik iets leerde van literatuurwetenschap, was dat het onzinnig, decadent en zelfs beledigend is het discours dat mijn groottante onderdrukte te vergelijken met de ongemakken die het marktdenken meebrengt voor de postpuberale alfa-student. En dat de vragen die niemand ooit stelt, de meest verneukeratieve zijn.
Welke vragen beheersen nu mijn leven. Misschien wel: ‘Wat nu?’. Quid nunc? Zou niet slecht staanin een familieschild. Twee gekruiste bezems erbij.



Laatste reacties