Watouse dreigbrieven
24 november 2008
De net overleden Antwerpse chansonnier is in mijn hoofd samengevat tot twee mooie liedjes en een tirade. Over de liedjes hebben anderen al het nodige gezegd. In een tv-portret gaf hij te kennen die hele poëziezomer in Watou maar niks te vinden. Zijn kritiek kwam erop neer dat zo’n dorp al een gedicht op zich was. Daar moest organisator en dichter Gwij Mandelinck niets aan veranderen met al zijn versjes en rare geklieder.
In zijn dagboek schreef Van de Velde dat, mocht hij een antieke schuur bezitten, hij deze nog liever in brand stak dan het ‘te zien verloederen tot een expositieruimte voor bekakte installaties’.
Ik ben geboren op twee keer spuwen van dat gedicht an sich en durf te stellen dat als het Watou-avant-les-lettres al een gedicht was, het nou niet bepaald een uitzonderlijk rijmsel was te noemen. Van dergelijke slaperige dorpjes kan met gemak een metersdikke bloemlezing worden samengesteld. Dan krijg je het soort boek dat alleen maar geschikt is om waterschade te laten oplopen. Ja, je kon er goede paardenworst krijgen. Dat was het wel zo’n beetje.



Een
Laatste reacties