blog/Het Leven Is Elders

Archief: juni, 2008

De kelder van de macht

Ook geweldig aan leven op Capitol Hill: dat je je de hele tijd op de set van The West Wing kunt wanen. Zo bevond ik me laatst in het Rayburn House Office Building – de plek waar Leo in een aflevering uit het derde seizoen een belangrijke deal krijgt aangeboden. Zo spannend was mijn bezoek niet. In een kelderkamertje van het weinig inspirerende kantoorgebouw zit een dienst die mij als tijdelijke ‘federal employee’ een Social Security pasje zou bezorgen. (Dat zou 6 tot 8 werkdagen duren. Als dat echt zo is, definieert men ‘werkdag’ hier op een mij onbekende manier. We zijn intussen bijna twee maanden verder.) De bedienden hadden hun lunchbreak toen ik er arriveerde (beetje vreemd, toch, om half drie ’s middags) en dus werd ik geacht voor de deur te wachten.

Veel saaier kan een omgeving niet zijn. Een kelder die uitgeeft op een reeks onbeduidende kamertjes, de ingang van de ondergrondse parkeerplaats en drie liften. Een van die liften is er exclusief voor de parlementsleden (daar verwijst ‘House Office Building’ dus naar: kantoren van leden van het Huis van Afgevaardigden). Het half uur dat ik er stond te wachten kwam niemand uit die ene lift. Misschien wisten alle parlementsleden dat iemand er een grote asbak voor had geplaatst, formaat paraplubak.

Voorts was er veel beweging. Vriendelijke postjongens, norse bedienden, piepjonge stafleden die trots hun familie rondleidden, nog meer postjongens, chauffeurs onderweg van of naar hun auto, postmeisjes… E-mail mag de klassieke brief dan al vervangen hebben, Amerikaanse politici krijgen opvallend veel post binnen. En mijn ‘Jongens & Politiek’-geest kon intussen dus alleen maar denken: aanschouw de kelder van de macht.

Op zich gebeurde er helemaal niets bijzonders. Ik heb geen bekenden gezien, er stond geen pers voor de deur, er werd nergens met de Amerikaanse vlag gezwaaid. En toch was er dus die sensatie van Belang & Geschiedenis. Dat heeft natuurlijk ook met die alomtegenwoordige verkiezingen te maken waardoor politiek weer hotter dan hot is. Aan de wand, tussen twee liftdeuren, hing een lijst met de kantoor- en telefoonnummers van alle Amerikaanse kamerleden en senatoren. John McCain, Hillary Clinton, Ted Kennedy, John Kerry… en dus ook Barack Obama. Als ik een gsm had gehad, was ik misschien wel in de verleiding gekomen dat kantoor even te bellen. Dat gevoel is mij in het Vlaams Parlement nog niet overvallen. Misschien moet er maar eens een dramareeks gemaakt worden over het leven op een of ander Vlaams kabinet.

Ondanks het terecht beroerde imago van de VS in de rest van de wereld, blijft het land tot de verbeelding spreken. Ondanks het gekonkel en ondanks de lobbygroepen die de politiek in Washington een slechte naam hebben bezorgd (ze hebben hier zelfs een eigen straat) spreekt ook de politiek nog altijd tot de verbeelding. Er hangt energie, er worden plannen gemaakt, de toekomst is een uitdaging. Of zoals dat vaste zinnetje uit The West Wing het wil: ‘What’s next?’

Gay Pride in DC

Waaraan de Gay Pride optocht gisteren aan het hippe Dupont Circle me nog het meest deed denken: de reclamecaravaan die voorafgaat aan de doortocht van de Ronde van Frankrijk. Toeterende en gillende mensen die bovenop bedrijfswagens zitten en prullaria naar de straatkant gooien om zichzelf zo te profileren als homo-vriendelijk bedrijf.

Niet dat men het hier gewoon over ‘homo’s’ heeft. Het land dat de identity politics uitvond, spreekt of in eufemismen – Capital Pride Parade – of gebruikt een veel-letterwoord waarmee verwezen wordt naar Lesbians, Gays, Bisexuals, Transgender en Queers. In vergelijking met soortgelijke optochten in Europa (en vooral de in alle vormen van extravagantie uitblinkende Amsterdamse Gay Pride) gaat het er in Washington behoorlijk rustig aan toe. Uiteraard ziet het straatbeeld er plots kleuriger uit dan elders in het grijzepakken-Washington, maar qua pluimen-in-je-gat was dit bepaald geen spectaculaire optocht.

In Washington, hoeft het nog te verbazen,  gaat het altijd over politiek. En dus bestond misschien wel de helft van de optocht uit vertegenwoordigers van allerlei kandidaten (veelal Democraten, uiteraard) die hengelen naar de steun van de homo-gemeenschap voor de gemeenteraadsverkiezingen van september of de parlementsverkiezingen in november. En er was natuurlijk ook een luid YES WE CAN-schreeuwende afvaardiging van Barack Obama, voor de gelegenheid Obama Pride gedoopt.

En zo beschouwd gaat Gay Pride hier, meer dan in Europa, niet alleen over respect en het recht je leven in te richten zoals jij dat wil; in het bepaald niet altijd homovriendelijke Amerika gaat het heel uitdrukkelijk over het vragen om & uitspreken van politieke steun – de meest toegejuichte passanten waren allicht niet toevallig de ‘Just Married’-koppels die gebruik kunnen maken van de verlichte wetgeving in hun staat die het homohuwelijk toelaat.

En nog elders

Even weg uit D.C. voor een interdisciplinair congres over ‘Netherlandic Studies’, georganiseerd door de Amerikaanse vereniging voor ‘Netherlandic Studies’, AANS, afgelopen week in Chapel Hill, North Carolina. Merkwaardige congressen zijn dat: Nederlanders, Vlamingen en Amerikanen die van Nederlandse afkomst zijn of er langdurig gestudeerd hebben spreken dagenlang met elkaar over de cultuur en taal van de Lage Landen (en Zuid-Afrika en de ex-kolonies) en ze doen dat… in het Engels. Tijdens de koffiepauzes (goede bakkers hebben ze daar in Chapel Hill, voorwaar geen evidentie in dit land) wordt er veelal Nederlands gesproken, maar zodra de lezingen, panels en discussies beginnen schakelt iedereen al dan niet gezwind over op de taal van het gastland. Of dat de academische kwaliteit ten goede komt is lang niet altijd duidelijk, maar het klinkt natuurlijk allemaal reuze-internationaal.

En zo leren we dus van alles bij over de schilders uit de Gouden Eeuw, ‘bruine’ Afrikaanstalige schrijvers en de geschiedenis van Hollandse dialecten. Ook in deze uithoek onvermijdelijk: oeverloze discussies over de Nederlandse identiteit. Tijdens de 2 ‘key note’-lezingen ging het echter vooral over de intrigerende complexiteit van Belgische identiteiten. Zo vertelde de Nederlander Michiel van Kempen een intrigerend verhaal over de familiegeschiedenis van zijn twee Surinaamse adoptiefkinderen die hij samen met zijn Aalsterse vrouw in het Frans en Nederlands opvoedt in Namen. En Geert van Istendael ging uitvoerig in op de taalkundige rijkdom van en in Brussel.

Buiten heerste intussen een hittegolf (inclusief ozonalarm) die letterlijk de adem benam. Gelukkig ging het congres door in een wonderlijk modern universiteitsgebouw – normaal gezien nochtans een oxymoron, want de meeste moderne campusgebouwen die ik ken zijn onleefbare, slecht verwarmde, slecht verluchte of volstrekt onpraktische gedrochten. Dit Fedex Global Education Center is niet alleen een uitzonderlijk geslaagd voorbeeld van samenwerking met de privé-sector, het is bovenal een ecologisch verantwoord, prachtig uitgelicht gebouw met een prima akoestiek en aangename proporties. Een moderne aanwinst op een van de mooiste campussen die ik ooit bezocht. “A slice of heaven” noemde een Amerikaanse collega die campus van Chapel Hill en daar is geen woord van overdreven. In North Carolina investeren de staat en de gemeenschap in hun hoger onderwijs en met resultaat.