blog/Het Leven Is Elders

Archief: mei, 2008

Op 11 november begint de zomer

Nog over het vorige, de Amerikaanse samenleving en oorlog: de laatste maandag van mei is ‘Memorial Day’, een van de weinige betaalde feestdagen van het land, een van de weinige dagen ook waarop de Library of Congress gesloten is. In oorsprong een dag om de gesneuvelden van de Burgeroorlog te bedenken, na de Grote Oorlog uitgebreid tot alle Amerikaanse oorlogsslachtoffers.

Op de vele militaire begraafplaatsen van het land worden kransen en bloemen neergelegd, erg officieel en afstandelijk (president Bush op Arlington National Cemetery), door de oorlog in Irak helaas ook weer steeds vaker dicht-op-de-huid van de nu al meer dan vierduizend families die de afgelopen jaren geliefden hebben verloren.

In Belgie roept het woord ‘oudstrijder’ vooral beelden op van de IJzer, de Achttiendaagse veldtocht en eventueel Korea of Rwanda. In de VS zijn ‘Veterans’ overal. Ze vormen een doorlopend aandachtspunt tijdens de verkiezingscampagne en zijn, vooral in de grote steden, ook heel zichtbaar op straat – een ontstellend percentage van de daklozen in het land zijn oudstrijders, vaak zozeer getraumatiseerd of gekwetst dat ze in het normale burgerleven geen plaats (en vooral werk) kunnen vinden en letterlijk de rest van hun leven slijten in kartonnen dozen.

De Library of Congress eert de Veterans gelukkig met meer respect. In het Veterans History Project archiveert men ooggetuigenverslagen van Amerikaanse oudstrijders van WOI, WOII, Korea, Vietnam en de verschillende Golfoorlogen & Afghanistan. Soldaten worden uitvoerig geïnterviewd, hun brieven en dagboeken en foto’s en video-opnamen worden gearchiveerd.

Voor de meeste Amerikanen is Memorial Day echter bovenal een vakantiedag, het officieuze begin van de zomer, gevierd met festivals, sportwedstrijden en – veel Amerikaanser kan het allicht niet – speciale Memorial Day koopjesdagen. Dat vindt niemand vreemd of ongepast. Markt is het altijd, oorlog of niet.

Woorden en geweren

Een originele gedachte is het niet, maar waar is het is wel: de Amerikaanse maatschappij is geobsedeerd door geweld en heroiek.  Dat kun je afleiden uit het aantal gespecialiseerde maandbladen dat hier nog doorlopend verschijnt over militaire geschiedenis in het algemeen en de Amerikaanse Burgeroorlog en de Tweede Wereldoorlog in het bijzonder. (En opvallenderwijs niet over de Eerste Wereldoorlog of Vietnam …). Maar het blijkt ook uit de inrichting van de Mall en omgeving in Washington D.C. Nagenoeg alle monumenten hier zijn gewijd aan vermoorde leiders of oorlogen.

Dat geldt ook voor de foto die u boven  deze blog ziet, gekozen door de Klara-redactie: het monument voor de gesneuvelden van de oorlog in Korea. Minder bekend dan het aangrijpende Vietnam Memorial en opvallend figuratief illustreren deze soldaten de centrale boodschap van dit monument: ‘Freedom is not free’.

Een heel bijzonder Mall-monument heeft maar onrechtstreeks met de oorlog te maken –  het uitgestrekte, indrukwekkende Memorial voor president Roosevelt.  Dat bestaat voornamelijk uit hele grote lappen tekst – historische uitspraken van de man die met zijn New Deal het land grondig hervormde en het mee naar de overwinning in WOII leidde. Want ook daar gelooft dit land heilig in: woorden en hoe ze de geschiedenis vormgeven. Er gaat geen dag voorbij of in een politieke toespraak wordt verwezen naar de grondwet en naar gedenkwaardige uitspraken van vroegere leiders. Ook achter de indrukwekkende zuilen van de Memorials voor de presidenten Lincoln en Jefferson hangen gigantische borden met alleen maar tekst: Lincolns beroemde toespraak in Gettysburg en bijna even klassieke citaten van Jefferson – allemaal woorden die veel Amerikaanse bezoekers kunnen meelippen.

Dit land is gebouwd op woorden en het wordt elke dag in die woorden heruitgevonden. Daarom ook is de Great American Novel een belangrijk genre en is de Grote Vlaamse Roman een stripverhaal. Er is geen betere plek voor een schrijver om te zijn dan Amerika. Ik schrijf hier dan wel een boek over Europa, maar bovenal schrijf ik er een over oorlog. Voor mijn generatiegenoten in Europa is oorlog een vaag concept, bekend van decoraties van grootvaders en films over Vietnam. Maar hier is het geen fictie. De heroiek is nog altijd moeilijk te begrijpen voor buitenstaanders en gezien de manier waarop Veterans hier worden behandeld is het zelfs ongeloofwaardig. Maar die memorials zijn indrukwekkende getuigenissen van de mythe waarin dit land gelooft en waarmee ze ons dag na dag opnieuw confronteert. Een geloof in woorden en een nog groter geloof in het uiteinde van een geweer.

Naar de bank

Mijn huisbazin is een aardige vrouw, maar heel erg 21ste-eeuws kan ze niet worden genoemd. Hoewel we, toevallig, bij dezelfde Amerikaanse bank zitten en het dan heel erg makkelijk is om elektronisch geld over te maken, weigert ze haar rekeningnummer te geven. ‘Niemand kent mijn rekeningnummer, zelfs mijn broer niet.’ Gevolg: de huishuur moet elke maand betaald worden met een cheque. Waarna zich een ritueel voltrekt dat je er ernstig aan doet twijfelen of Amerika echt wel het centrum van het wereldkapitalisme is.

Het begint zo: ‘Hi, welcome to the Bank of America. How can I help you today?’ Heel erg vriendelijk, die Amerikanen. Elke dag opnieuw. Maar het meisje (telkens een ander) dat de klanten opwacht bij de deur van het bankfiliaal, staat daar helaas haar en mijn tijd te verdoen. Het antwoord op haar vraag kent ze immers: ze kan me helemaal niet helpen.  Per definitie. Haar enige taak en bevoegdheid is de binnenkomende klanten gedag te zeggen. Vriendelijk, dus. En zeer sympathiek. Maar wanneer er twintig mensen staan aan te schuiven en deze bank verdacht veel op het postkantoor van Borgerhout begint te lijken, dringt zich de vraag op waarom dit meisje niet gewoon ook een van de loketten kan bedienen. Die vraag is natuurlijk al even naast de kwestie als haar vraag hoe ze me kan helpen.

Je zou denken: even cheques aanvragen, hoe moeilijk kan dat zijn? Nagenoeg onmogelijk, blijkt. Ik heb mijn rekening immers geopend in Californië en, tja, meneer, dat is onhandig, want, weet je, met Californië kunnen wij geen zaken doen. Tot zover het concept ‘Bank of America’. ‘Bank of 49 states’, zullen ze bedoelen. Ik kan wel zelf die cheques aanvragen, telefonisch. Helaas betreft het een van die nummers waar je – zoals in die ene aflevering van Friends – dagenlang ‘on hold’ wordt gezet.

En dus moet ik maandelijks naar het kantoor – ‘Hi, welcome to the Bank of America. How can I help you today?’ -, aanschuiven en de bediende van dienst (telkens een andere) ervan trachten te overtuigen dat ik solvabel en legaal genoeg ben om een zogenaamde ‘Cashier Check’ aan uit te schrijven. Op zich zou dat laatste makkelijk te bewijzen moeten zijn door mijn Social Security Number op te dreunen. Maar dat, helaas, zit niet in de computer omdat ik mijn rekening opende in Californië en, nu ja, daar doen ze dus geen zaken mee.

Vele, vele wijlen later (want inderdaad: ik heb een gekke naam en waar bevindt zich in zo’n obscuur buitenlands paspoort ook weer het visum?) wensen wij elkaar nog een prettige dag. Bijna tot buiten staan de klanten intussen aan te schuiven. Hoe kan het ook anders: dit is het centrum van het wereldkapitalisme.

TAGS: -

De oud-minister op bezoek

De Library of Congress is een gigantische bibliotheek, maar het is ook een uitzonderlijk reservoir aan (vaak heel gespecialiseerde) kennis en een geoliede propagandamachine voor het boek. Concreet betekent dit dat er doorlopend lezingen worden gehouden, door eigen specialisten, gastonderzoekers (zoals de Kluge Fellows) en bekende en minder bekende schrijvers. Dinsdag was er een wereldberoemde auteur te gast, de voormalige (en als het van haar afhangt ook volgende) minister van buitenlandse zaken, Madeleine Albright.

Aanleiding voor haar bezoek is haar heel recente en ook al in het Nederlands vertaalde boek Memo aan de nieuwe president (Ambo/Manteau) – een boeklange brief waarin ze de volgende president adviseert en alle gewone lezers een overzicht biedt van de buitengewone uitdagingen die de wereld van vandaag te bieden heeft op het vlak van buitenlands beleid. Wat ze allemaal vertelde kunt u elders lezen en zou u dra ook op de website van het organiserende Center for the Book moeten kunnen zien. Hier wil ik het even hebben over enkele merkwaardigheden van Amerikaanse book readings.

Uiteraard is er veel applaus wanneer er een hoge gast is, zijn er vriendelijke introducties (in dit geval door de Librarian of Congress zelve), mogen er vragen gesteld worden en is de auteur nadien zo galant om exemplaren van haar hierdoor extra goed verkopende boek te signeren. Maar wat ik hier al meermaals meemaakte – en wat je eigenlijk ook keer op keer ziet wanneer de presidentskandidaten aan een toespraak beginnen – is de uitermate familiaire toon waarop de inleider en ingeleide over elkaar spreken. Waar Vlamingen dat veelal afstandelijk zouden doen, krijg je hier (uiteraard) een uitvoerige opsomming van al haar officiële posities en aanstellingen, maar ook details over hoe goed en lang ze elkaar al kennen, hoe ze elkaar hebben leren kennen,  hoe geweldig ze elkaar vinden en zo meer. Albright zelf doet er niet voor onder. Waar alle andere stervelingen de Librarian getrouw als Dr. Billington aanspreken, heeft zij het gewoon over ‘Jim’ en straalt ze bij het ophalen van allerlei herinneringen.

Iets soortgelijks gebeurde laatst bij de poëzieavond waarover ik hier eerder berichtte: hoe lang de dichters elkaar al kenden, wat ze allemaal met elkaar meemaakten toen ze bij elkaar les volgden in een bekende Creative Writing cursus, hoe buitengewoon sympathiek en getalenteerd ze elkaar vinden… Heeft het publiek daar een boodschap aan? Het lijkt er zich in elk geval niet aan te storen. Wat op Europeanen (en cynische Belgen) kan overkomen als inside-schmooze of onecht geslijm, creëert hier een sfeer van respect en verwachting. En indirect krijgt natuurlijk ook de bezoeker zo een aai over de bol: heel erg goed van u dat u naar al deze voortreffelijke mensen komt luisteren. Op die manier is het evenement voor iedereen al een succes, terwijl het eigenlijk nog moet beginnen.

Beethoven en Disney

Toegegeven, ‘Library of Congress’ – dat ruikt naar boeken. Toch is de plek international gezien allicht het bekendst voor de muziek die er wordt bewaard: de legendarische Library of Congress Recordings van de beroemdste ex-werknemer, Alan Lomax. Samen met zijn vader, later ook met zijn vrouw bezocht Lomax (en vele andere medewerkers van de Library) afgelegen plekken, onder meer in het Zuiden van de VS om er in gevangenissen en scholen en plantages opnamen te maken van plaatselijke zangers en muzikanten. Wereldberoemd werden deze field recordings. Voor sommige artiesten vormden ze het begin van een grootse loopbaan, anderen werden pas veel later ontdekt. De opnamen vormden de basis voor de prachtige soundtrack van O Brother Were Art Thou en voor de grootste successen van Moby.

De Library heeft echter ook iets met klassieke muziek. Niet alleen bewaren ze een ontzaglijke hoeveelheid partituren, opnamen en componistenarchieven, ze organiseren ook al decennia een concertreeks waar je – gratis alweer – terecht kunt voor heel bijzondere ensembles. Zo speelde enkele weken geleden het Alban Berg Quartett hier een van de Amerikaanse optredens van hun afscheidstoernee (een mooie gelegenheid voor de Library om voor die ene avond een tentoonstelling in te richten met alle partituren die ze van Berg hebben, plus delen uit zijn correspondentie met Arnold Schönberg).

Vrijdag speelde het Chamber Orchestra of Philadelphia een heel erg klassiek programma (Mozarts 21ste pianoconcert en de Pastorale van Beethoven), tot zeer grote tevredenheid van het opvallend blanke en hoogbejaarde publiek. Heel anders dan in pakweg deSingel of Bozar zijn hier de programmaboekjes. Hoewel geschreven door een van de medewerkers van de Music Division werd er niet alleen vrijelijk geciteerd uit het door de Librarian of Congress nochtans vermaledijde Wikipedia, eigenlijk ging de tekst helemaal niet over de componisten of hun werk, maar louter over de films waarin deze muziek werd gebruikt. Heel veel leerden wij die avond bij over de totstandkoming van Walt Disneys Fantasia.